10 tips voor christelijke kinderboekenschrijvers

Eind vorig jaar kreeg ik een uitnodiging toegestuurd voor een studiedag van christelijke kinderboekenschrijvers. Ik was verbaasd en voelde me ook een beetje vereerd. Maar vandaag was het dan zover: met zo’n vijftig mannen en vrouwen waren we bij elkaar in Zwolle.

Studiedag voor Christelijke kinderboekenschrijvers

Annemarie_PrinsDe studiedag werd georganiseerd door Annemarie Prins van De Kruisspin. Jarenlang organiseerde zij deze dag als onderdeel van de Werkgroep christelijke Kinderboeken (WCK) maar sinds dit jaar valt deze werkgroep niet meer onder de BCB. Samen met Vrouwke Klapwijk werkt Annemarie Prins aan een nieuwe Stichting Christelijke Kinderboeken.

Tips voor kinderboekenschrijvers

Tijdens deze studiedag heb ik zoveel leuke, praktische en bemoedigende tips gehoord, dat ik die graag met je wil delen.

  1. Als auteur moet je tegen kritiek kunnen van je redacteur. Een goede redacteur kent jouw personage en jouw boek net zo goed als jij zelf, maar geeft daardoor soms ook stevige input. Laat je niet ontmoedigen of intimideren.
  2. Kies meelezers, maar wees kritisch op de meelezers die je kiest. Zitten ze in je doelgroep? Durven ze (opbouwende) kritiek te leveren op je werk?
  3. Lees. Lees.
  4. Ga zitten en doe het. Stel jezelf een doel: deze week wil ik zoveel woorden schrijven.
  5. Doe veldonderzoek en bevraag experts. Als er iets niet klopt, word je erop afgerekend. “Je kunt niet over olifanten schrijven als je niet in de stal bent geweest” – Liesbeth van Binsbergen. Eén auteur zei: “Ik beschreef een situatie in een plantenkas, waarbij de hoofdfiguur net boven het geluid van de machines uitkomt. Maar toen ik dit liet lezen aan een kasmedewerker, bleek dat hun machines helemaal niet zoveel lawaai maken.” Een andere auteur schreef een boek dat zich afspeelt in Noorwegen. Er wordt nogal wat pepermunt gegeten in het boek. “Later hoorde ik van een vriend in Noorwegen dat je daar geen pepermunt kunt kopen. Ik had onderzocht of je er jam en hagelslag kunt kopen, maar van pepermunt had ik dat gewoon aangenomen.”
  6. Vertel mensen waar je mee bezig bent. Vaak zoeken ze spontaan mee en dragen tips, krantenartikelen en dergelijke aan.
  7. Stel een grens aan de research die je doet. Je hoeft er niet op af te studeren.
  8. Gebruik kernkwaliteiten (kwaliteit – valkuil – allergie – uitdaging) om te ontdekken waar je extra conflicten of spanning kunt aanbrengen. Wanneer en waar stapt jouw hoofdpersoon in zijn valkuil; wat werkt op zijn allergie, wie is zijn tegenpool?
  9. Gebruik een ‘gebeurtenissenketting’ (Iris Boter) om de rode draad van je verhaal niet uit het oog te verliezen. Schrijf een ketting van oorzaak en gevolg: …en toen… en toen… waardoor…waardoor. Alles wat daarbuiten valt, moet je niet schrijven.
  10. Laat je inspireren en aanscherpen door schrijversmeetings (bijvoorbeeld van Schrijvenderwijs of De Kruisspin) of een intervisiegroep met andere schrijvers. Je hoort ervaringen van andere schrijvers met uitgevers, writersblocks, illustratoren, promotie, schrijftechnieken, en ga zo maar door.

Louis Stiller: het gebruik van ruimte

Louis StillerLouis Stiller van het Schrijvershandboek opende het programma van de studiedag met een lezing over het gebruik van ruimtes in je verhaal. Zijn betoog was eigenlijk één grote tip, dus die wil ik je niet onthouden. “Een ruimte is meer dan een haastig getimmerd decor”, zei hij. Volgens hem stuwen dialogen een verhaal voort, maar kleurt de ruimte het verhaal verder in. Volgens Stiller kan een goede beschrijving van een locatie:

  1. Contrasteren: een contrast vormen met de stemming of daden van je hoofdpersoon. Bram Kasse (o.m. Opa Knoest) gaf als voorbeeld zijn nieuwe personage SuperJoris: een spontane, maar heel chaotische jongen. Die chaos wordt extra scherp zichtbaar in de ruimte van een supermarkt, waar alles strak geordend op de schappen staat.
  2. Versterken: waar komt jouw thema (bijvoorbeeld vriendschap, eenzaamheid, angst) het beste tot zijn recht? Eenzaamheid kun je bijvoorbeeld verwoorden door iemand met een bord op schoot voor tv te zetten, maar ook door hem in een feestzaal vol mensen in een hoek naar zijn schoenen te laten staren.
  3. Spanning oproepen als element van het plot. Zet jouw hoofdpersoon met claustrofobie in een vastzittende lift!
  4. Vooruitwijzen naar gebeurtenissen. Je kunt je lezer er op voorbereiden door details te noemen die hij wel leest, maar niet direct interpreteert. De lucht die donker wordt, een kinderliedje dat ergens wordt gezongen; het zijn aanwijzingen waardoor je lezer onbewust al een stap kan nemen.

Praktische tips van Stiller:

  1. Maak lijstjes. Schrijf allerlei mogelijke locaties op. Bedenk daarna de consequenties van die keuzes voor jouw verhaal.
  2. Visualiseer je ruimtes. Wees je als schrijver bewust waar je hoofpersoon zich bevindt. Zelfs als je daar niet over schrijft, helpt het je om je verhaal beter te schrijven.
  3. Bekijk de filmpjes van de Schrijfbibliotheek. Een aantal boeken van Stiller is hier verschenen.

Hartelijke schrijversgroet,

Joyce

Heb jij nog andere tips? Laten we ze delen!

Laat wat van je horen

*